Tervuurse woordenlijst

Dialectwoord Verklaring
astrie straks
aitsel (nen) bussel klein hout
afgang (den) diarree
akkoge occasie
avers (d’) de ouders
ailigtag (nen) o.a. in schilder… plaats waar vergeten is te verven
afzee pijn hebben, lijden
aamelaike (nen) heimelijk, stiekemaard
aamelaiken doèker (nen)
afgemoederd heel moe, afgepeigerd
afwasse ook de vaat doen
in anketente zai ongerust zijn
azainpisser (nen) ongezellig mens
aas (den) – d’oer het handvat
ambras moeke ruzie maken
aitsel (nen) bussel brandhout bak voor de oven
ara (nen) zeer dik gesneden boterhammen
afgang emme diarree
de avers van de ouders van
abeus zain abuis zijn, per abuis
okkaze (‘n) occasie
aaket ni gepaast had ik het niet gedacht
allemekke, stekske lucifer
artificielle bloeme geen echte bloemen
aizerweg (den) NMBS
annegat (‘n) ne prater, blijven hangen
afblève niet aankomen, niet mogen meespelen
andermans van anderen
aspele ruzie maken (licht)
aarpetteke (‘n) aardappelen, eierdop
nen alve gebakke half gebakken in de betekenis van “hij heeft ze niet alle vijf”
apoet apart
astableeft alstulieft
afzooiers aardappelen, niet vastkokend
bedraitst bespat
bailleke (e) klein bijl
bekan(s) bijna
basseng (nen) metalen kuip
blokke 1. studeren – 2. klompen
bair gier, aal
bouchel (nen) bussel
bokei (nen) bloementuil
bienaaver (nen) beenhouwer, slager
beebak (nen) bierbuik, dikke buik
billeman (nen) rnd met zeer dikke billen
bedoervescheet (nen) verwend persoon
bedoerve joenk (e) (pejoratief)
bedoerve rot
bau (nen), e bauke boterham
blaik (den) grasplein waarop het linnen gelegd werd om wit te worden
boekauverdraa haasje over
bol (nen) rond voorwerp, kop
bittere dhicorei
brok chocolat (een) reepchocolade
brokke moeke stukken/scherven maken
broddele, gebroddel slecht werk afleveren
broebele 1. bubbels bij het koken – 2. praat vertellen
blesseire, n blesseur letsel
battere vachten
brancard (nen) draagberrie
bonseuleire botsen, wegduwen
bleu (nen) een nieuwkomer
bandeleer (nen) draagband van een kruiwagen
bèrres (de) van ne kraawoege de armen van een kruiwagen
braa voil zeer veel, erg veel
babberlut (‘n) ne praatgrage
babbelut (‘n) snoep van de kust
e kan zennen bebber ni aive praat voortdurend
n bloes geve kaakslag
bair – baire gier – …
bouchel (nen) bussel
boel moeke, ambras moeke ruzie
ne vezen boel niet klare situatie
n bloes wais moeke leugen opspelden
boembezaine vet vroegere vest van bepaalde zeer sterke stof
bellefloiring (ne) soort appel (belle-fleur)
t es wel bestoet hij verdient het (pejoratief)
boestrink (nen), re roigel of ne melt
bekke (‘n) beetje
n boenke emme ve iemand een boontje hebben voor iemand
bee drinke bier drinken
boeljon bouillon(soep)
bauluze (moeke) tuimelaar maken
biene benen, beenderen
broeie broeden (eieren, ziekte, opstand e.a.
tes bazaar, tes bucht van de Sarma
bospetate kraige slagen krijgen
boestel borstel
blink schoenpoets
betraave betrouwen
beraa berouw
bink (nen) flinke man
bèste barsten
blèter (nen) die gemakkelijk weent
broed (‘n), bruuke (‘n) klein brood van een halve kilo
men breu mijn broer
brèver (den), de brèveraa brouwer, brouwerij
beesteiker (den) drankenhandelaar
boet (nen) baard
boedele wenen en hard schreeuwen
billekens 1. beeldjes – 2. kikkerbillekes
brau (de) van a biene kuit, kuitbeen
chippeke (e) kuiken
cuisinière kookfornuis
chik kauwgom, pruimtabak
camisolleke onderhemdje
casaquinque (e) gebreid jasje
cach-coeureke (e) … jasje (hart)
cens (ne) centiem, geldstuk
cycliste (ne) wielrijder, vroeger ook bij het leger
commisse boodschap (wc)
zen commisse doe (groete en klaan) grote en kleine boodschap
ne coup de jamb… kniestoot op de bil
ne coup de farnac nekslag
n carabistouille
caduc, manket… gebrekkelijk
capsulleke (e) kroonkurk, slaghoedje
capsullekesgeweir (e)
caberdouchke slecht befaamd café
castar (ne) ne kerel, ne crack (Eng)
e cotetsje geive kopslag (coup de tète)
colaire emme, ‘n franse coleire kwaad zijn, opgewonden
claun (ne) 1. clown – 2. overall, werkkledij
dabbere trappelen
doets (nen) grote metalen kuip
dakschaiters duiven
doeffes moe, uitgeput
deuvelke (een) een kleine kachel
dève duwen
daik dijk
dop kinderspeeltuig / zonder werk
doemp damp
deuvele dorsen
dèsdeuvel (nen) dorsmachine
dwès zae dwars liggen
doerrelier boom met doornen
doever (den) daver, schrik
draa oek (nen) letterlijk 3 haken maar had zeker 4 haken of tanden)
dikkop (nen) 1. jonge kikvors – 2. hooggeplaatste (vulgair)
dachterair (nen) nietsnut
dikzak (nen) corpulent persoon
daaze achteruitrijden
in doembak valle in zwijm vallen
van zenne sus goe in zwijm vallen
doelper dorpel
ermoei armoede
ermettig armoedig
ermteerig armzalig
emmes (‘n) speciaal soort bijl
ère-wère geruzie, gewoel
ellentrik elektriciteit
eizel (nen) ezel
ètenteller (nen) gierigaard
deneilium treimel delirium tremens
eeverans ergens
etpain hartzeer
aike (‘n) eitje
ette harde
flois straks
filet (ne) een tas, een boodschappentas
fleire strelen, aaien
floires (‘t) pleuritis
flissain (‘t) pleuritis
feizele fluisteren
facadeklaisjer (ne) amateurschilder
foetere zijn beklag maken
 floikke (e) fluitje
foer (de) de kermis
fitsel – e fitsel zette iemand een poets bakken
frette eten
(z’n) kas opfrette zich iets aantrekken, lijden
fleerefloiter flierefluiter
foks (ne) soort hond
frutte frieten
flok lenig
grat helemaal, volledig
galoche overschoen
goesting zin, trek, interesse,,,
geubbele braken, overgeven, kotsen
gritsel (ne) hark
gepresseid gehaast
glettig glad
greuzelemente scherven
groemele brommen, grommen
gaat (‘n) geit
gazetteman (de) dagbladverkoper
geerigoet (ne) gierigaard
grabbele smaite (te) gooien
giel heel
gielemoel helemaal
gieroege met lust bekijken en niet krijgen
gramoetse moeke gezichten trekken
taute trekke gezichten trekken
geroebd geribbeld
geraa (‘t) verkeer
grempe lastig doen
gevoeg: ze gevoeg doe stoelgang: naar het toilet gaan
gotteniere ocharme
gemelberd gemarmerd
graize wenen
grais grijs
ieverecht averechts
indertaid vroeger
iemer (nen) emmer
juge-pei (de) vrederechter  – ook grote hamer
zjat (een) kopje
fisteire (de) waterput
jeneivelist jeneververslaafde
joer stillekes (‘t) onbepaald in de tijd
kakkedaure (ne) toiletstoel
kommissies boodschappen
kabas (‘n) boodschappentas
karrekolle escargots
knaitsenbeit (ne) klokhuis van een appel, rest van een opgegeten appel
kweddele ongemak
 kalpin (ne) boekentas
karna (ne) hangslot
katchou rubber
kramakkel wankel, niet vast
kruwellig ongedurig, met zichzelf geen weg wetend
klaitskop (ne) kaalhoofdige
korsei (ne) corset
kaike bestop verstoppertje
kaike (e) katje, poes
kaake (e) kauw, zwarte vogel
e kaake emme verkoudheid
kapiet 1. stuk – 2. militaire mantel
kreoel misdienaar
kaissenband 1. kousenband – 2. zwarte drop in de vorm van een lint
klieroige kledij
klierewinkel winkel voor klederen
kenne juk voor mensen om iets te dragen
kroipe kruipen
kleffere klauteren
kurre (e) big
zen keure emme kuren hebben
kaits stoute vrouw
kraisse krijsen
knussele zorgvuldig gewassen groenten
kasrol kookpot
kassoer kookpot
konterfaur van ne schoen hiel
koekebakke pannekoeken
krète
kazak kiere overloper
kaviet goor café
kakke kakken
kaikoest kinkhoest
kakkedauze wc-stoel voor ouderen en/of gehandicapten
kizze kozijn
n kabot emme haar is te lang
kakkemoikes prietpraat
keffer (ne) kleine blaffende hond
krabbeling van de moelle 1, resten van de deegbak – 2. jongste van de kinderen, overschot
knoettere lastig doen
kwispel (ne rare) eng persoon, gestoorde
kassiere kasseiweg
kassaastien straatkei
kafem (ne) veertiendaags loon
kroinke kraantje
kroenke kroontje
kaur koord
klitse zap zwart sap
kwaizze simpele van geest
kiere 1. omkeren – 2. maal, keer
koest (n) korst
kapikkele onhandig lopen
laifke ondergoed
lange mannelijk onderhemdje
lanteireman nemen
leege liegen
loigenier leugenaar
loigeroed leugenaar
lier (n) ladder
lair leder
lerèke van e kroinke dichting van een kraantje
lof (t) kerkdienst
loddervleeg (n) strontvlieg
froitvligske ladder met een ketting
louche pei (ne) verdacht persoon
louche affaire verdachte zaak
lis effen, egaal
lameir (n) babbelwijf
lameire babbelen
lameirpot melkpot met deksel met gaten om het overkoken te beletten
lillek lelijk
meutte (ne) jonge koe
moilleke (e) eetpakket van een werkman
mich-mach tras??
maur modder
memme vrouwelijk borst
melber (ne) knikker
maasse (e) meid
moembakkes (e) masker
meutekesknee (ne) vervormde knie
maavieger (ne) mouwveger, vleier
miegeroet (ne) mager man
maken hinken
mankeleed gebrekking
mokke (e) (vulgair) tes mai mokke t’is mijn lief
maske (e) meisje
de mave viegen vleien
de maa steike versiering op dak van een huis wanner de ruwbouw af is
melt mild
marchandiesse waren
marchandeesen train goederentrein
moerg murw
mausteik (ne) appel met made erin
mistroestig zain mistroostig zijn
moekke morren
merged morgen
moe maar
moezelle 1, kruimels – 2. kleine hoeveelheid
moets (n) muts
maaf mouw
mettekau deugniet
moef : ‘n zeur moef een zure vrouw (niets vrouwelijks)
meimel memel
mul zand los zand
oele kolen
oeske (t) wc (stond vroeger altijd buiten)
oe hooi
oenger honger
oempachentig ongeduring
opsolfere aansmeren
opdoe 1. koffie uitschenken – 2. uitgeven, verkwisten
oets (nen) mallejan
oessem (den) adem (oit den oessem = buiten adem)
oeveerdig hoogmoedig
opspeile 1. kijven – 2. opwerpen : men moeg spelt op
oinink honig
osteg zai haast hebben
oenpappe (me eemand) (pejoratief) relatie aanknopen met iemand
ons noet wair (noodweer) migraine
loepeke (oep e) zeer snel
oezak doe – oezakke vals spelen
olleke (zen) zijn aars
oesaave (t) huishouden
oie – oei (verwondering)
opgesmijte zai op stang gejaagd
oengeschaure ongeschoren
oerkusse (n) peluw
oitmoeke 1. beëindigen (relatie) – 2. beledigen
oetsepot hutsepot
noevernant navenant
noike (e) 1. noot (vrucht) – 2. kap
noisdoek (ne) zakdoek
nèpe knijpen
neffest / neffes naast
nog es, nog nie kie nogmaals
nemi noet of van ze leive nooit
noste gebeure de naaste buren
pozzelaan porselein
pranille pralines
paltau (ne) jas
pulauver (ne) pullover, trui
pittelair (ne) ceremoniejas
pateekes gebak
pa in de kop hoofdpijn
pilairenbaiter kerkganger (pejoratief)
posaar (n) paasei
pertang nochtans
patatebriek golfbroek
platform plat dak
preikier meikever
pulfirkassei
parlevit (ne) op een wip, zeer snel
paaze peinzen, denken
pruttele zachtjes koken
tegenpruttele tegespreken
piot (ne) soldaat te voet
perevolk soldaten te paard
panne kookpan
pissen plassen
pressei (t es) overhaast
patotter goe (ne) op de grond vallen (meestal gezegd van kinderen)
pritske (e) een weinig
pastilleke (e) pastille
pollevoere, kloete oenveige (zn) onverschillig zijn voor
poes doe (n) een dutje doen
peizeweiver, azainpisser, vitter ontevreden mens
passe-montagne (ne) gebreide wintermuts
ploster plaaster
plekploster (ne) iemand die gemakkelijk blijft hangen
palleeter iemand die zich niet veel aantrekt
pot (de) pispot
proit van een boek (de) rits
poep (n) pop
poepe de liefde bedrijven
poepekas speile poppenkast spelen
perètanne grote tanden (als Fernandel)
plosterpoete gipsplaten
plamoster (n) ???
paljas nietsnut
petoche brij
peipel vlinder
raisboenke glijbaan
relle rail, spoor
rak… soort boor
raa rouw
rattescheeter klusjesman
roefele wrijven
roenke snurken
roetoek vlaamse gaai
roetboike, roetboesteke roodborstje
roester 1. rooster om op te grillen – 2. waterholte in de straat (?)
vouw
roezig razend
rabbalber rabarber
rustinneke rubberen plakkertje voor herstelling van een fietsband
radaille goe (oep) uitgaan, fuiven
ronneke rondje, cirkeltje
roebbekes ribbetjes
²
blait blauw
de blaa locht de blauwe lucht
gaait goud
ne gave rink een gouden ring
t es kait het is koud
k em kaa ik heb het koud
zaait zout
de zaaite patatten zoute aardappelen
jeneivel jenever
sloiter sleutel
vloigel vleugel
pralinne pralines
leiper lepel
kelver kervel
steikerbeize stekelbessen
kesmis Kerstmis
gepeste kop hoofdkaas
beustel borstel
veust (doffe ‘e’) vorst
beust (doffe ‘e’) borst
et hard
iet heet
loepe lopen
best barst
deust (doffe ‘e’) dorst
keust (doffe ‘e’) korst
 does (een) doos
roes  (een) roos
doet dood
ferket (e) vork
vergeet (e) vergiet
gezoië gekookt
meurg gaar
zwet zwart
pains pens
zwette painse zwarte pensen
boudin pens om rauw op te eten
zweuzze (de) zwoerd
leezevait wit vet
afgebakke vait vet dat overblijft na het bakken van spek
boestrink bakharing
legumme groenten
gloezig glazig
ète erwten
andaif andijvie
compote / appelspais appelmoes
bautermelk botermelk
broet brood
grais of broein broet bruin brood
pieperkoek peperkoek
koekenbak pannenkoek
schmoisteraa snoep
binke (e binke sjoklat) een stukje chocolade
kalitzesap water waarin drop of zoethout is opgelost
druppel (een) borrel
kaffei koffie
kramiek krentenbrood
kloets (ne) slok
zoipe zuipen
zat dronken
beschmoisterde kliere besmeurde kleren
schmoistere snoepen
schmoisteraa snoep
sewes aanstonds
t schait den afgang
schamoelle verbrande steenkoolresten
schaprai keukenkast
schoit klein glas voor jenever
soezi deken
spieke spuwen
stoemelings onverwachts
stamenei café
stoem stoa verwonderd zijn
schoette scouts
stoerfput sterfput
snutte snuiten
spadrille speciaal schoeisel
sajet breiwol
smokket smaakt het?
schlam nat gemaakt stof van kolen
singele overschot van verbrande kool
giele santeboetik het geheel van
schrikke schaatsen
scheit scheet
schoit jeneverglas
swing kaisse witte kousen
saint Joseph zoeg schrijnwerkerszaag
schaver schouder
soelker zurkel
schrikschaiter persoon die altijd bang is
sloire sleuren
speive braken, overgeven
stoemp 1. duw, por 2. aardappelen en groenten samen (in de keuken om te pletten
schè schuw
schaa schouw
schoille schalie
stukked schoire kopot scheuren
stukked vanie helemaal kapot
slabakke verminderen
spiekmadoille speekselmedaille
saroup siroop
schummel schimmel
schaaveeger schouwveger
spausse portie
sapperlipopet (lichte berisping)
schulp schelp
stroenk stronk
slaitse sloffen, pantoffels
soeves s avonds
snoenes s middags
smerges s morgens
spoeie zich haasten
scharminkel raar uitziende vrouw
schelle schillen
scheine schenen (scheenbeen)
singele tintelen
talloer bord
terwains terwijl
toem / toigel teugel
tère durven
getust gedurfd
tits vroegere zomerhoed voor heren
tamboerkesgoere zeer sterk garen
tès zak in broek  of vest
toedespel veiligheidsspeld
trempe zagen met botte zaag
tas verdiep in de schuur voor graan of hooi
tjoek-tjoek venter met tapijten (vreemdeling)
te-te-te (doet niets ter zake; niet tegenspreken)
teigepruttele tegenspreken
tenostekie volgende keer
tot ee toe tot nog toe
nen toeplala goe vallen, struikelen
toeved s avonds
troellendroed traliedraad
keekendroed metalen draad, afsluiting
wasdroed draad om was op te hangen
tip man met fijn voorkomen
toet taart
troep leger
troep veugels groep vogels
titske heel klein beetje
tirrelantainkes kleinigheden, prullen
taleu talud, helling
trochel tros
toefele knutselen (minderwaardig)