Oraal erfgoed – bewaart dat?

Enkele bespiegelingen over schrift- en taalcultuur

Mike Kestemont (UA)

Recent verscheen Het einde van de standaardtaal: een wisseling van Europese taalcultuur (Meulenhoff, 2008). In deze bestseller – inmiddels aan zijn vierde druk toe – neemt de Leuvense hoogleraar, Joop van der Horst, het fenomeen van de standaardtaal onder de loep. Bekend is de kritiek dat de jongeren van vandaag het beruchte Algemeen Beschaafd Nederlands niet meer zouden beheersen. Leerkrachten bijvoorbeeld maken zich met de regelmaat van de klok in de pers druk over de verloedering van de spelling. Het barbaarse taaltje waarvan jongeren zich tegenwoordig in hun opstellen of tentamens bedienen, zou nauwelijks te onderscheiden zijn van gesproken taal of – erger nog – het slordige koeterwaals uit hun chats, sms’jes en emails. Afkortingen, dialectvormen en anderstalige woorden lijken in deze jongerentaal veeleer regel dan uitzondering. Het taalonderwijs zit met de handen in het haar en lijkt dan ook geen toeval dat Van der Horst zijn boek meelijdend heeft opgedragen aan “alle schooljuffrouwen, meesters, onderwijzers en leraren die taalonderwijs geven”. Dit alles krijgt in Van der Horsts monografie een ruimere, historische verklaring. Volgens hem is de neergang van de standaardtaal al veel langer gaande en komt zo langzaam maar zeker een einde aan een visie op taal die slechts in de Renaissance dominant is geworden. In het licht van de inhoud van deze bundel, loont het de moeite even bij deze ontwikkeling stil te staan vanuit een historisch perspectief.

Rare jongens, die Germanen

Toen de Romeinen onze streken in de eerste eeuwen na Christus bezochten, troffen zij hier een vreemd volk aan. In zijnGermania (ca. 98 na Christus) verbaasde de Romeinse historiograaf Tacitus zich over vele aspecten van de Germaanse samenleving, niet in het minst over het feit dat men in deze maatschappij opvallend veel belang hechtte aan de meningen van vrouwen, wat in Rome in die tijd kennelijk relatief ongebruikelijk was. Belangrijker voor ons verhaal is echter volgend citaat:

In eeuwenoude gezangen (carminis antiquis), hetgeen voor hen de enige manier om zaken bij te houden (memoria) of om geschiedenis te schrijven (historia), vereren zij de god Twisto en zijn zoon Manno als het begin en de stichter van hun volk.

Tacitus vermeldt langs zijn neus weg dat deze volkeren geen schrift kenden en voor het ‘schrijven’ van geschiedenis slechts konden steunen op het gesproken of gezongen woord. Uit materiële overblijfselen weten we wel dat de Germanen bijvoorbeeld voor grafmonumenten spijkerschrift-achtig runen konden gebruiken, maar langere teksten zijn ons uit deze vroege periode niet overgeleverd. De invoering van een geavanceerd schriftsysteem wordt in onze streken in het algemeen veel later gesitueerd: de vroegste Germaanse teksten stammen in Noord-Europa opvallend genoeg uit Engeland, maar ook daar rijken de bronnen niet verder terug de tijd in dan de zevende eeuw na Christus. Parallel met de invoering van het Christendom, werd het Latijn van de Romeinen in onze streken geïntroduceerd gedurende het eerste millennium, en daarmee ook het Romeinse schriftsysteem dat tot op heden de basis vormt voor ons spellingsysteem (vgl.Times New Roman).

Tijdens de vroege middeleeuwen bleef het Latijn dominant in Noord-Europa: geschreven documenten werden tot laat opgesteld in het klassieke Latijn, dat in toen in groter aanzien stond dan de Germaanse ‘polder-taaltjes’ van het gewone volk. Schrijven bleef over het algemeen trouwens een zeldzame aangelegenheid, want slechts voor de belangrijkste zaken (zoals wetteksten, testamenten of de Bijbel) was men bereid het dure perkament af te staan dat even goed voor het maken van schoenen of kledingstukken kon worden gebruikt. Vooral in kloosters werd al vroeg een indrukwekkende schriftcultuur ontwikkeld, want eenieder die een priesterwijding wilde genieten, moest de Bijbel kunnen lezen en, vooral,voorlezen aan wie dat zelf niet kon. De elitaire term litteratus (een ‘geletterde’) was dan ook voorbehouden voor mensen die het Latijn beheersten; een ydiotus (een ‘idioot’) betekende letterlijk iemand die het schrijven niet machtig was.

Het volk leren lezen

In de Lage Landen, zou het tot de dertiende eeuw duren vooraleer volkstalige teksten (in het Middelnederlands) te boek werden gesteld. Door de voortschrijdende democratisering en verstedelijking van de samenleving, werd het noodzakelijk om met teksten ook een minder geschoold publiek te kunnen bereiken. Het grote publiek in steden en op het platteland kende immers geen Latijn, maar slechts haar eigen moedertaal. Dat stelde schrijvers voor een groot probleem: het Latijnse schriftsysteem dat inmiddels algemeen in zwang was geraakt, was namelijk niet onmiddellijk geschikt voor het opschrijven van de volkstaal. De Middelnederlandse volkstaal kende bijvoorbeeld een veel groter aantal klinkers en tweeklanken dan het klassieke Latijn en het was het voor velen onduidelijk hoe de Latijnse spelling nu op de Nederlandse volkstaal kon worden geprojecteerd. Bij gebrek aan een Groene Boekje sloegen middeleeuwers aanvankelijk dus aan het schrijven in de volkstaal zonder duidelijke spellingsregels. Zij probeerden de uitspraak van de volkstaal zo goed of zo kwaad met Latijnse letters (vgl. littera) na te bootsen. Vanzelfsprekend leidde dit tot een sterk uiteenlopend resultaat: schrijvers hadden vaak een erg verschillend dialect en overal te lande werden op de duur verschillende spellingconventies gehanteerd. Voor veel middeleeuwse teksten is het daarom niet moeilijk te achterhalen of de oorspronkelijke schrijver een West-Vlaming dan wel een Brabander was.

Het woordbeeld van middeleeuwers was daarmee erg ‘fonologisch’: de spelling van een woord vertoonde een een-op-een-relatie met de uitspraak ervan. Sterker nog: het geschreven woord had in de ogen van middeleeuwers maar betekenis wanneer het werd uitgesproken. In dat opzicht is het interessant dat de praktijk van het stillezen, zoals wij die kennen, eigenlijk ongebruikelijk was. Ook als mensen alleen lazen, lazen zij teksten hardop voor. In de Confessionesvan Augustinus vinden we een in dit verband grappige passage over de ongewone leespraktijk van de heilige Ambrosius (vierde eeuw):

Wanneer hij las, dwaalden zijn ogen over de pagina en zijn geest zocht naar de betekenis ervan maar zijn tong was stil. Iedereen kon hem opzoeken en bezoekers werden meestal niet aangekondigd, zodat het vaak gebeurde, dat wij hem stillezend aantroffen als wij hem bezochten, want hij las teksten nooit hardop voor.

De manier waarop Augustinus zich verbaast over Ambrosius’ zeldzame gave voor stillezen, illustreert frappant hoe sterk het gesproken woord in deze samenleving stond, en tegelijkertijd hoe weinig ‘vanzelfsprekend’ het geschreven woord was in de middeleeuwen. Wie zou binnen stappen in een middeleeuwse leeszaal kon zich dus al heel wat geroezemoes verwachten. Nog veel gebruikelijker was het om een boek in groep te lezen, waarbij een voordrager voor een groepje mensen uit een manuscript voorlas – net zoals wij nu gezamelijk naar een film kijken. Lezen was met andere woorden een gemeenschapsgebeuren en het beeld van de middeleeuwer met een boekje in een hoekje zou dus een flink anachronisme zijn (Pleij). De Middelnederlandse Karel ende Elegast mag dan nog op schrift zijn overgeleverd maar de bekende openingsverzen suggereren duidelijk dat het verhaal vooral werd voorgedragen: Fraeye historie, ende al waer, magic u tellen, hoort ernaar (‘Ik kan u een mooi, waargebeurd verhaal vertellen: luister er maar naar!’).

De druk van de pers

Toen Gutenberg omstreeks 1450 de laatste hand legde aan zijn boekpers, had niemand kunnen voorspellen dat deze technologische innovatie zulk een grote impact zou hebben op onze samenleving. Tijdens de middeleeuwen moesten alle teksten met de hand worden overgeschreven – ieder afschrift was ‘monnikenwerk’ oftwel een hard copy. Elke middeleeuwse tekst vormde zo een volstrekt unieke kopie van een eerdere tekst, want eigenwijze kopiisten hadden de gewoonte om de teksten die zij afschreven aan te passen aan de specifieke omstandigheden waarin de nieuwe tekst zou moeten functioneren. Iedereen kent wel het doorzegspelletje waarbij een zinnetje fezelend wordt doorgefluisterd en aan het andere uiteinde van de doorgeefketting plots heel anders klinkt: middeleeuwse literatuur verging het in de regel niet anders. De kleurrijke variatie eigen aan de middeleeuwse schriftcultuur werd met de uitvinding van de boekdrukpers aan banden gelegd. Door deze nieuwe technologie werd het mogelijk om in een mum van tijd een (naar middeleeuwse maatstaven ontzagwekkend) groot aantal exemplaren van een tekst op de markt te brengen. Dat ieder exemplaar van deze tekst bovendien exact hetzelfde uitzicht had, was bovendien ongezien. Het woord kopie – afgeleid van het Latijnse woord voor overvloed (copia) – kreeg pas in deze periode haar ware betekenis.

De boekdrukkunst vormde de voedingsbodem bij uitstek voor de ontwikkeling van de internationale intellectuele beweging die wij kennen als de Europese Renaissance in de vijftiende en zestiende eeuw – hoewel er ook daarvoor tijdens de middeleeuwen reeds verschillende vergelijkbare heroplevingen van de klassieke cultuur waren geweest. De drukpers liet toe dat ideeën in ijltempo over Europa verspreidden en steeds vaker daarbij werd ook een beroep gedaan op de zich verder ontwikkelende volkstaal. Dat drukkers hun afzetmarkt danig zagen vergroten, betekende echter ook dat zij hun drukwerk aan een veel gevarieerder publiek moesten zien te slijten. Waar regionale spellingsverschillen of dialecten voor de kleinschalige middeleeuwse afschriften die een veel beperkter publiek beoogden geen probleem hadden gesteld, moesten drukkers qua taal een soort ‘gemene deler’ zien te vinden, die algemeen genoeg was om acceptabel te zijn voor hun hele afzetgebied. De opkomst van een standaardtaal, waarin de vernieuwende ideeën van de Renaissance een transparant transportmiddel vonden, lijkt zo een rechtstreeks (economisch) gevolg van de uitvinding van de boekdrukkunst.

De uniformiserende werking die uitging van de boekdrukkunst was groot: langzaam maar zeker ontwikkelde er zich voor de belangrijkste talen in een Europa een standaardtaal: een soort ‘koepeltaal’, die als paraplu ging functioneren voor haar regionale dialectvarianten in de verschillende naties van Europa. Vanzelfsprekend hadden standaardtalen een artificieel en zelfs ‘gemaakt’ karakter, want een standaardtaal was niemands moedertaal. Bovendien was een standaardtaal in de eerste plaats een geschreven aangelegenheid: ook de dag van vandaag beheersen mensen de standaardtaal beter wat betreft geschreven dan gesproken taal. Precies door de grote verwevenheid van de standaardisering van taal en de groeiende verschriftelijking in Europa, moest het gesproken woord veel aan status inboeten. Terwijl het gesproken woord zo fundamenteel was geweest in de middeleeuwen, moest het als een gevolg van de vernieuwde schriftcultuur na de Renaissance snel aan status en betrouwbaarheid inboeten. Het gesproken woord werd gekarakteriseerd als instabiel, te veelvormig, volks en vluchtig. Het geschreven woord daarentegen had het onmiskenbare voordeel van stabiel te zijn, eenvormig, elitair en blijvend. De geschreven standaardtaal werd zo uit het uitdrukkings- en onderscheidingsmiddel bij uitstek van de intellectuele elite.

De terugkeer naar de middeleeuwen

Zoals reeds vermeld in de inleiding lijkt het concept van een standaardtaal de jongste jaren steeds meer onder druk te staan: steeds minder mensen vinden het in een steeds groter aantal omstandigheden nodig om gebruik te maken van de variant van het Nederlands die de laatste eeuwen als de standaard wordt beschouwd. Ongetwijfeld hangt deze situatie samen met de opkomst van het Internet (en verwante digitale communicatietechnologieën zoals sms’en), een uitvinding die wij ongetwijfeld tot dezelfde orde van grootte mogen rekenen als die van de boekdrukkunst. Of het concept van een standaardtaal an sich zal verdwijnen is nog onduidelijk: in veel gevallen lijken er zich gewoon nieuwe standaarden te ontwikkelen die toegespitst zijn op individuele tekstsoorten. Iedereen weet stilaan dat BRB I’ll bright back betekent, terwijl de letter X in tekstberichten probleemloos als een symbool voor een zoen wordt herkend. Interessant (en in de ogen van velen problematisch) is dat deze nieuwe (sub?)standaarden expansief zijn, en bijvoorbeeld ook in andere genres opduiken, waar men ze eigenlijk helemaal niet verwacht. Daarbij kunnen we denken aan de horde smileys als J die de laatste jaren in schoolopstellen opduiken. Voor onderwijzers lijkt nu de ondankbare taak weggelegd om leerlingen diets te maken dat dergelijke woorden niet noodzakelijk ‘verkeerd’ zijn, maar traditioneel wel als ‘verkeerd in deze context’ worden ervaren. Het interessante aan de hele ontwikkeling is dat onze geschreven communicatie de laatste jaren radicaal mondelinger schijnt te worden. Steeds vaker vormt het geschreven woord een weinig omfloerste weerspiegeling van onze gesproken taal (bv. een sms: ‘zeg zijt ge egt ni meer op hem??!’). Daardoor neemt neemt ook de veelvormigheid en ongebondenheid van onze communicatie in het algemeen toe. Hoewel er de laatste decennia algeheel sprake leek van ‘dialectverlies’ in Vlaanderen, lijken de jongste communicatietechnologieën het het gebruik van streektalen bij jongeren opnieuw een boost te geven. Umberto Eco, auteur van de bekende thriller De naam van de roos (Il nomme della rosa, 1980), duidde dit fenomeen in een interview reeds enkele jaren terug als een radicale ‘terugkeer naar de middeleeuwen’.

Oral studies

Deze situatie zal wellicht meer gevolgen hebben voor de manier waarop wij in de toekomst met taal en spraak zullen omgaan, maar twee effecten zijn nu reeds duidelijk merkbaar: ten eerste, een toenemende interesse voor mondelinge spraak en ten tweede, een hernieuwde fascinatie voor taalvariatie, zoals dialecten. De combinatie van deze twee aspecten vormen de as waarrond de thematiek van de onderhavige bundel zal roteren. Er is reeds op gewezen dat het gesproken woord een erg beperkte houdbaarheidsdatum heeft: het mondelinge woord bestaat slechts wanneer het uitgesproken wordt en wanneer de klank fysisch gesproken is uitgestorven verdwijnt het onherroepelijk. Het geschreven woord heeft vanzelfsprekend een veel langere levensduur: ook lang nadat een tekst werd geboekstaafd, kan deze in zijn oorspronkelijke vorm geconsulteerd worden. Het gesproken woord dat niet schriftelijk werd gefixeerd, blijft slechts voortbestaan in de herinnering van de mens en is daarom continu met uitsterven bedreigd. Vanuit linguïstisch oogpunt is het interessant dat verschillende hedendaagse talen, net zoals de oude Germanen, geen schriftsysteem kennen. Binnen de wetenschapstak van de language documentation trachten vorsers daarom dergelijke talen van de vergetelheid te redden door hun grammatica en woordenschat zo goed mogelijk te documenteren. Merk op dat dit voor hele talen kan gelden, maar ook voor dialecten: verschillende dialecten in Vlaanderen hebben slechts een mondelingen functie en worden zelden gebruikt voor het opstellen van geschreven teksten. Initiatieven zoals de West-Vlaamse Wikipedia(vls.wikipedia.org) zijn in dat opzicht eerder uitzonderlijk. Het documenteren van dialecten is voor heemkundigen daarom een belangwekkende maar ingewikkelde zaak.

De belangstelling voor de studie en documentering van orale cultuur is niet nieuw. Een interessant gegeven is het werk van de Amerikaanse classici Milman Parry en Albert B. Lord. Parry had zich in de twintiger jaren van de vorige eeuw als jonge onderzoeker bekwaamd in de studie van de bekende Oud-Griekse werken van Homeros. Parry had vooral oog voor de vele herhalingen die Homeros’ werk typeerde: tot vervelens werd van Achilles gezegd dat die ‘snelvoetig’ was, net zoals de dageraad steeds ‘rozevingerig’ was en Hector ‘helmboswuivend’. Hij bemerkte dat steeds dezelfde formuleringen en verzen in Homerus’ werken letterlijk herhaald werden. Parry raakte ervan overtuigd geraakt dat deze herhalingen or ‘formules’ relicten vormden van een orale cultuur, waarin professionele vertellers niet konden schrijven of lezen maar hun vertellingen live ten gehore brachten, improviserend voor een klein publiek. Het gebruik van dergelijke stereotiepe omschrijvingen van helden, zou de vertellers immers goed zijn uitgekomen om hun verhaal niet stil te laten vallen wanneer zij de draad even kwijt waren. (Interessant detail: in de Illias wordt op geen enkel moment verwezen naar mensen die kunnen schrijven). Om zijn theorieën te toetsen trok Parry – nota bene met zijn jonge vrouw en twee kinderen – op studiereis naar de Balkan, bijgestaan door zijn assistant Albert B. Lord. Hij had namelijk vernomen dat daar nog een orale vertellerscultuur bestond, waarin ongeletterde vertellers van plaats naar plaats trokken om hun brood te verdienen met het brengen van geïmproviseerde liederen. Ettelijke maanden trokken de onderzoekers van koffiehuis naar koffiehuis om daar met grammofoonplaten optredens en interviews met deze barden op te nemen. De monumentale platencollectie die uit hun veldwerk resulteerde, wordt momenteel bewaard in de universiteitsbibliotheek van Harvard.

Hun onderzoek betekende het beginpunt van een invloedrijk paradigma binnen de cultuur- en literatuurwetenschap (deoral studies) waarbinnen orale culturen worden bewaard en bestudeerd. Wie de inhoudstafels bekijkt van de recente nummers van het belangrijkste tijdschrift van deze studietak (journal.oraltradition.org), raakt onder de indruk van de omvang en variatie van het materiaal dat deze onderzoekers bestuderen. Dichter bij huis is een bekend voorbeeld van deze documentatie-arbeid, Ate Doornbosch. Deze Nederlandse volkskundige en radio-presentator is vooral bekend omwille van zijn wekelijks radio-programma Onder de groene linde (1957-1993). In dat programma werden wekelijks opnames uitgezonden van volksliedjes die Doornbosch zelf ging opnemen bij mensen thuis in alle uithoeken van Nederland. Dat zijn programma wekelijks zo veel luisteraars aantrok, vormt een belangrijke illustratie van het belang mensen hechten aan dit type erfgoed. Verschillende mensen hadden herkenningsreflex bij het horen van een volksliedje op de radio en nodigden Doornbosch uit om eens hun locale versie van een volkslied te komen opnemen. Maar liefst 5000 van deze opnames worden momenteel bewaard en bestudeerd op het prestigieuze Meertens Instituut te Amsterdam. Zij worden beschouwd als een unieke getuigenis van het immaterieel erfgoed van Nederland.

Verder lezen

Foley, J.M., How to Read an Oral Poem. Illinois, 2002.

Van der Horst, J. Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur. Amsterdam, 2008.

Lord, A.B., The Singer of Tales. Cambridge (MA), 1969. Cambridge studies in Comparative Literature 24.

Van Oostrom, F., Stemmen op schrift. Een geschiedenis van de Nederlandse literatuur van het begin tot 1300. Amsterdam, 2006.

Pleij, H., ‘Met een boekje in een hoekje? Over literatuur en lezen in de Middeleeuwen’, in: Buijnsters e.a. (red.), Het woord aan de lezer. Zeven literair-historische verkenningen. Groningen, 1987.

Willaert, F. & Grijp, L.P. (red.), De fiere nachtegaal. Het Nederlandse lied in de middeleeuwen. Amsterdam, 2008.