Marcel Debot

Marcel vertelt over zijn kinderjaren in Vossem en zijn leven als misdienaar. Hij moest altijd helpen als er een begrafenis was in het dorp. Af en toe kwam ook de deugniet in hem naar boven, zoals toen hij stiekem sigaartjes rookte.

Geboorte

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Ik ben geboren in Vossem, de eerste september van het jaar ’24. Mijn ouders waren Liza van Staaf en Mil den Bot. Ik ben geboren in ’24, de eerste september, en dat viel net de maandag na de kermis maar ik ben niet meer uitgeweest, dat ging niet.

Ik ben dinsdag al gedoopt, want vroeger moest je meteen gedoopt worden. En ik had de doopmantel van mijn vader aan. Dat was een kanten sjaal met franjes rond.

Nadat ik geboren was, heb ik de charleston gedanst, maar in mijn bed. Later, toen ik vier jaar was, ben ik eens ernstig ziek geweest. Toen had ik ‘pleuritis’. Dat was een kwade ziekte toen, er waren nog geen medicamenten zoals nu. Dat was heel gevaarlijk.

Dan ging ik naar school, maar op school hebben ze gezien dat ik slechte ogen had. Want ik moest de kaarsen aansteken in de kerk met een lange stok met een wiek eraan. Dat waren hoge kaarsen en in plaats van op de wiek, duwde ik er altijd naast. En het nonnetje dat in de kerk zat, had dat gezien en ze heeft aan mijn ma gezegd: “Het is tijd dat je eens met hem naar de dokter gaat want ik denk dat hij iets aan zijn ogen heeft.” Toen was ik al misdienaar. Maar ik ben misdienaar geworden rond mijn negen jaar. Toen kwam er een van de nonnetjes thuis binnen en die zei: “Kan jullie Marcel geen misdienaar worden ?” “Jamaar”, zei mijn ma, “dat gaat allemaal zo gemakkelijk niet.” En altijd maar zagen en zagen en op de duur zei mijn ma: “Awel, hij zal het dan wel doen.”

Begrafenissen

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Met een begrafenis was ik ook altijd van dienst vermits er geen koster was. Er moest ‘rouw’ gehangen worden in de kerk, en die rouw werd gehangen aan het houtwerk vooraan aan het koor.  Dat was boven, want dat was heel lang en bedekte helemaal het houtwerk van het koor en dat waren allemaal zwarte doeken. Boven waren er haakjes en de doeken werden daaraan gehangen. En ik moest dat ook allemaal al doen, vermits er geen koster was. Die kwam wel de mis zingen, maar voor de rest deed hij niets.

Waar er ook een kruis hing, was op het altaar. Want je weet de pastoor deed altijd de mis met zijn rug naar de mensen vroeger. En dat altaar, dat was altijd een trapje op, en een zwart doek met een wit kruis, hing er altijd. Dat was groot en moest vrij hoog gehangen worden.

En dan was er de lijkbaar, waar de kist werd ingeschoven aan het koor. Rond de lijkbaar stonden vier grote kandelaars. Op die kandelaars waren natuurlijk vier kaarsen en aan die vier kaarsen was een doodshoofd gebonden. Dat was vastgemaakt met een lint aan de kaarsen want die moesten nog een volgende keer ook dienen want dat waren dure en grote kaarsen.

Als het offergave was, moest ik voor de lijkbaar gaan staan, vóór het lijk, en de mensen gingen langs de ene kant rond de lijkbaar en ze kregen iedere keer een kaars mee. En die kaars hielden ze in hun hand en dan gingen ze met die kaars rond de lijkbaar, maar dat volgde altijd hè. Dus er waren verschillende kaarsen, maar als de eerste opnieuw aan de lijkbaar kwam, gaf hij zijn kaars weer af. Ze vormden een cirkel, zie je?

Na de dienst werd het afscheid gezongen en na de mis gingen we naar het kerkhof. Het kerkhof, daar lagen ze dicht op elkaar. We hebben meer dan één keer voorgehad dat de putmaker zijn put te klein was. En dan zaten ze daar.

Sigaartjes

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

En op een zeker moment geeft de pastoor van Leefdaal drie sigaartjes. “Dat is voor uw vader”, zegt hij. Ik zeg: “Ja, meneer pastoor, ik zal hem die geven.” Maar je weet, als je dan al tien, elf jaar bent, dan wil je al iets proberen ook. En Gustaaf – dat is mijn tweede naam, zie je (lacht) – Gustaaf die zegt tegen mij… Ik zeg als Gustaaf, ik zeg: “Gustaaf, ik ga eens proberen van die drie sigaartjes op te roken.” Thuis lucifers gevonden en die stiekem opgerookt, maar… zijn Marcel en Gustaaf ziek geweest! ’t Is niet te beschrijven!