Geschiedenis van de gemeente Tervuren

Tervuren

Tervuren ontleent zijn naam aan de Voer, het zijriviertje van de Dijle dat ontspringt in het Zoniënwoud. Vanaf de twaalfde eeuw was Tervuren een van de woonplaatsen van de hertogen van Brabant. In die tijd werd Tervuren in het Latijn Fura genoemd. De toevoeging ducum (van de hertog) wees op Tervuren als de woonplaats van de hertog.

Over de periode voor de twaalfde eeuw is weinig geweten door gebrek aan historische bronnen. Toch moet op twee zaken gewezen worden. Ten eerste wijzen archeologische vondsten erop dat er voor de middeleeuwen ook bewoning is geweest op het grondgebied van Tervuren. Maar deze gegevens zijn te beperkt om verregaande conclusies uit te trekken.

Ten tweede bestaat er een legende dat rond 727 de Luikse bisschop Sint-Hubertus in Tervuren woonde en hier zou gestorven zijn. Of dit daadwerkelijk zo geweest is, valt onmogelijk te achterhalen. Wat we wel met zekerheid kunnen zeggen, is dat zo’n 800 jaar later, omstreeks de 16de eeuw, in Tervuren een verering ontstond voor deze heilige. Die wordt nog steeds jaarlijks gevierd aan de Sint-Hubertuskapel in het park.

Omstreeks 1213 liet de Brabantse hertog Hendrik I een burcht bouwen op de landtong die gevormd werd door de samenvloeiing van de Voer en de Maalbeek, die ondertussen is dichtgeslibd. Ook de Sint-Jan-Evangelistkerk dateert uit die periode.

In de zestiende eeuw was het kasteel al fors uitgebreid en was het een geliefde verblijfplaats van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Tervuren was een gunstige locatie omdat het op een halve dagreis van Leuven en Brussel lag. Ze lieten de Sint-Hubertuskapel bouwen binnen de omwalling van het kasteel en gaven opdracht om een Kapucijnenklooster te bouwen in het Zoniënwoud.

Een volgende belangrijke periode voor Tervuren was de tweede helft van de achttiende eeuw. De Zuidelijke Nederlanden waren toen het bezit van de Oostenrijkse Habsburgers en gouverneur-generaal Karel van Lorreinen had in Tervuren een geliefde verblijfplaats.

In 1782 gaf zijn neef Jozef II opdracht het kasteel af te breken. Enkel het ‘Hoefijzer’ en de ‘Sint-Hubertuskapel’ bleven gespaard. Na de Nederlandse periode en de Belgische Revolutie van 1830 werd het hertogelijk domein eigendom van de Belgische staat.

Vanaf 1905 startte Leopold II met de bouw van een ‘Koloniaal Museum’, nu beter bekend als het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Ook het Geografisch Arboretum dateert uit de periode van Leopold II.

Vossem

De naam Vossem zou dateren uit de Frankische periode en verwijzen naar een stamvader ‘Vos’ die er zijn ‘heim’ vestigde. In de middeleeuwen werd ook de Latijnse benaming Fossa gebruikt. De verwijzing naar de vos in het schepenzegel zou een latere toevoeging zijn.

Vossem duikt voor het eerst in historische documenten op in het jaar 1129. Op dat moment schonk Reinier van Vossem zijn domein van meer dan zeshonderd bunder aan de pas gestichtte Parkabdij te Heverlee.

Op dat moment stond er al een villa- of domeinkerk. Rond 1200 zou de huidige Sint-Pauluskerk gebouwd worden. In diezelfde periode ontstond ook de historische band tussen Leefdaal en Vossem. De hertog van Brabant vertrouwde rond 1200 het beheer van zijn domein toe aan de Heren van Leefdaal.

Het 12-Apostelenbos in Vossem dankt zijn naam aan het Brussels godshuis ’12-Apostelen’ dat in 1434 werd opgericht. Het hof van Vossem werd sindsdien het hof der Twaalf Apostelen genoemd en zorgde voor een groot deel van de inkomsten van dit godshuis.

In het begin van de 15de eeuw stonden er in Vossem, naast de watermolen van de abdij van Park, nog een tweede watermolen en een banmolen. Deze werden afgebroken in respectievelijk 1141 en 1448. Het eikenhouten Sint-Paulusbeeld dat achteraan in de kerk onder een glazen stolp bewaard wordt, werd op het einde van de 15de eeuw aangekocht.

Tijdens de opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk eind 15de eeuw werd het dorp door brand grotendeels verwoest. Daarmee was de ellende nog niet teneinde. Ongeveer honderd jaar later, in 1578, trokken Spaanse troepen plunderend door Vossem. In hetzelfde jaar mislukte tot overmaat van ramp de oogst en brak en Leuven en Brussel de pest uit.

1635 was opnieuw een rampjaar voor Vossem. Een terugtrekkend Frans leger trok door het dorp en er was opnieuw een pestepidemie. In 1636 werd daarom op de grens van Vossem en Leefdaal op kosten van enkele plaatselijke notabelen een stenen kapel opgetrokken, gewijd aan Onze Lieve Vrouw van Gezondheid: de kapel van Puttebos.

Na lang aandringen kreeg Vossem met Maximiliaan Snel in 1687 een eigen pastoor. Na een zoveelste doortocht van plunderende legers begin de pastoor met de heropbouw van de kerk. Ook de pastorie kreeg een grondige opknapbeurt met een vijver en een gracht. In 1901 werd die afgebroken en enkele jaren later vervangen door een nieuwe.

De bekende Hoeve Oude Voorde, met de meer dan 50 meter lange voorgevel, dateert al uit de 1129 maar kreeg haar huidige vorm in de 18de eeuw toen ze werd aangekocht door het Leuvense Luxemburgcollege.

Duisburg

De benaming Duisburg zou afgeleid kunnen zijn van Dispargum een woonplaats van de Frankische vorst Chlodio. Het ontstond aan het kruispunt van twee Romeinse secundaire wegen. Vermoedelijk heeft er in Duisburg een burcht gestaan. Het oudste schepenzegel uit 1372 wijst alleszins in die richting. Waar deze zou gestaan kunnen hebben is tot op vandaag onduidelijk.

Duisburg was sinds de middeleeuwen een Vrijheid. Dat kunnen we met zekerheid zeggen vanaf 1226, toen hertog Hendrik I, die in Tervuren een kasteel en kerk liet bouwen, aan Duisburg de Vrijheidskeure schonk. Ze kregen dezelfde vrijheden als Tervuren, die dus even ervoor verleend moeten geweest zijn.

Die vrijheden hadden hun voordelen. Zo werden ze bijvoorbeeld vrijgesteld van belastingen om de oorlogen te financieren. Toen Albrecht en Isabella aan deze privileges wilden raken en hen dag en nacht de wacht lieten houden aan het kasteel van Tervuren, stuurden zij onmiddellijk een verzoekschrift om erop te wijzen dat Duisburg al ruim 150 jaar was vrijgesteld van militaire logementen en de bijkomende belasting.

Ook de inwoners van Tervuren kloegen daar trouwens over. Ze smeekten de machthebbers om de privileges te handhaven, temeer omdat onlangs nog een aanzienlijk deel van bos, weiden, vijvers en bouwlanden door het park werden omsloten. Het argument sloeg aan bij de landvoogden.

Op 3 mei 1731 woedde rond middernacht een grote brand in Duisburg. Die begon op de Markt maar het vuur breidde zich snel uit tot aan ‘Den Hoorn’ naast de kerk en tot aan de pastorie. Van meer dan veertig huizen bleef niet veel meer dan wat as over. Het gerucht deed de ronde dat een misnoegde bedelaar de brandstichter was geweest.

Op het einde van de 19de eeuw werden in Duisburg de eerste serres opgericht en maakte de gemeente deel uit van de Druivenstreek. Op het hoogtepunt van de druiventeelt was Duisburg de derde grootste Belgische druivengemeente na Hoeilaart en Overijse. Vanaf de jaren zeventig ging deze druiventeelt met rasse schreden achteruit.

Moorsel

Ook Moorsel wordt in verband gebracht met prehistorische en Romeinse archeologische vondsten maar met verstrekkende conclusies dient opnieuw voorzichtig omgesprongen te worden. Zo wordt aangenomen dat onder meer de Waalse Baan reeds in de Romeinse periode in gebruik was. De eerste vermeldingen van de benamingen Waalse Baan dateren echter pas uit het midden van de 14de eeuw.

In de fantasie van menig historicus was Moorsel in de vroege middeleeuwen een onderdeel van een uitgestrekt Karolingisch domein, waarvan Fura, Sint-Verona (Leefdaal) en Isca (Overijse) de kernen vormden. Deze theorie staat of valt echter met de identificatie van Tervuren met het Fura van de heilige Hubertus in de 8ste eeuw. Iets wat hoegenaamd geen uitgemaakte zaak is.

De eerste schriftelijke vermelding van Moorsel dateert uit 1139 in een oorkonde bewaard in de Parkabdij te Heverlee. Vermoedelijk bestond Moorsel in die tijd uit niet meer dan bossen en onontgonnen zandgronden. Wereldlijk gezien lag het binnen de grenzen van Tervuren.

Kerkelijk lag de zaak anders. Vanaf de 13de eeuw maakte een deel van het dorp ondergebracht bij de parochie Sterrebeek. In de 18de eeuw werden enkele delen al ondergebracht bij de parochie Tervuren en tijdens de Franse bezetting in 1803 werd Moorsel integraal naar Tervuren overgeheveld. Deze situatie zorgde voor verdeeldheid in het dorp.

Het gevolg was heen-en-weer-getrek tussen Tervuren en Sterrebeek. In 1806 werd de oude situatie opnieuw hersteld maar in 1809 was de omgekeerde beweging weer het geval. In 1906 werd in Moorsel een kerk gebouwd en sinds 1965 was het een aparte parochie.

Fusieperikelen

In 1829 ontstond op vraag van het Hollandse regime bijna een fusie tussen Duisburg en Vossem. Op 9 maart gaf de Duisburgse gemeenteraad hiervoor zijn goedkeuring, maar drie dagen later werd het voorstel afgeschoten in Vossem. In Vossem vreesde men dat Duisburg, omdat het groter was, te dominant zou zijn.

Ongeveer 150 jaar later voltrok zich toch een fusie, maar dan op grotere schaal. Op 1 januari vond in België een grootschalige gemeentefusie plaats, waardoor het aantal gemeenten werd gereduceerd van 2.359 tot 596. Voor Tervuren had dat als gevolg dat ook Vossem en Duisburg plots binnen de Tervuurse gemeentegrenzen vielen. Vanaf dat moment had men in Tervuren officieel vier dorpskernen: Tervuren, Moorsel, Duisburg en Vossem. Moorsel was voordien al een gehucht van Tervuren.

De gemeentefusie van de jaren zeventig is een mooi voorbeeld van hoe politieke en administratieve veranderingen ook hun weerslag hebben op het beeld en het onderzoek dat rond een bepaald onderwerp wordt gevoerd. Als men voor de gemeentefusie sprak van Tervuurse dialecten, dan doelde men daarmee op de Tervuurse dorpskern. Wanneer we nu spreken over Tervuurse dialecten zal het ook gaan over Duisburgs, Vossems en Moorsels.

Inwonersaantal Tervuren sinds 1977

1977

1987

1997

2007

Tervuren

10298

10358

10557

10727

Moorsel

2320

3581

3430

3633

Vossem

2521

3139

3455

3512

Duisburg

2356

2469

2709

3077

Totaal

17495

19547

20151

20949