Gabrielle Cordemans en Maria Puttemans

Een dialoog tussen Gabrielle Cordemans en Maria Puttemans uit Duisburg. Gabriëlle vertelt hoe ze als kind tijdens de Tweede Wereldoorlog werd lastig gevallen en net kon ontsnappen. Een ander verhaal van haar gaat over de kermis, of slechts een bezoekje aan de kermistent dat haar zuur zou opbreken.

Een zak meel

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Gabrielle: Tijdens de oorlog moest ik eens naar Vossem. Wij gingen naar Vossem, naar de molen met ‘verrekes’, koren en korenmeel.

Maria: Ja, ja.

Gabriëlle: Daarmee konden de mensen niets doen, maar dat zie je niet meteen. Ik ging naar Vossem, naar de molenaar dat wegbrengen. En zaterdagnamiddag moest ik dat gaan halen met de fiets. In mijn fiets, in dat ding aan mijn fiets, zo. Dat zat erin, en zo moest ik rijden.Ik keerde terug van de molen en aan de Vossemse poort, aan de muur buiten, stonden er twee, zo met hun rug tegen de muur, met hun regenjas aan. En die stonden daar. Maar ja, zou jij daar wat van denken?

Maria: Ah neen, als kind…

Gabriëlle: Neen, je denkt nergens aan he. Ik ga door en ik kom daar aan. En als je zo van rond de vijver komt, dan stond daar een kiosk, met sigaretten en dergelijke. Dan kon je daar iets kopen, in dat klein kotje. En die vijver ging daar zo rond. Als je van aan het Spaans Huis zo rond gaat, dan kom je daar uit. Met de fiets. Met de fiets en te voet.En ik zag daar iemand aankomen.

Maria: In het park door, dan?

Gabriëlle: In het park, ja. Tegen de vijver, he.
En die rijdt zo achter mij door, en de andere rijdt voor mij door: ‘Nu nog niet. Zo meteen’, zeiden ze tegen elkaar. Maar toen kreeg ik schrik, he Maria. En ik kon mijn fiets niet draaien omdat die dikke zak van 60 kilo daarin stak. En ik heb die fiets toen omhoog getrokken en ik heb hem op zijn wiel gedraaid. En ik ging toen zo… En ik had mijn pomp in de handen. En toen ben ik zo bij, euh, bij die eerste huizen, Josephine die had daar een tante wonen, als je juist het park uit bent.

Maria:
Ah ja, van euhm, ja. Fiene.

Gabriëlle: Ja, Fiene. En aan die kant woonde de slager. En daar heb ik met mijn pomp op de venster geklopt. Die vroeg niet meer en heeft mijn fiets binnen getrokken, en mij binnen gehaald, en daar hebben ze mij op een stoel gezet en toen heb ik zo zie, gebeefd.

Maria: En wat voor mensen zouden dat dan geweest zijn? Dat weet je niet?

Gabriëlle: Ik heb die niet meer gezien, Maria. En ik heb niet omgekeken ook niet. En toen is die man met mij meegegaan, naar huis, om mij af te zetten, tot hier in ten Hertswege, en toen is hij opnieuw naar huis gegaan. En toen zijn ze daar op zondag opnieuw naartoe gegaan. En ja, ze stonden daar opnieuw he, zei hij.

Maria:Echt waar?

Gabriëlle:Ze stonden daar nog, zei hij.

Maria: Ja? Dat zullen dan toch twee onbetrouwbare mannen geweest zijn, die daar stonden.

Gabriëlle: Ja, zij waren uit op die zak, Maria. Zij zouden mij misschien niets aangedaan hebben, maar dat was een dikke zak meel, en dat was tijdens de oorlog, he.

Maria: Ah ja

Gabriëlle: Dat was tijdens de oorlog. Maar zij konden daar niets mee doen, want dat was om ons varken dik te maken. Dat was korenmeel.

 

De kermistent

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Gabriëlle: Mijn meter woonde in Ten Hertswege en ik ging bij Flor spelen. En Flor zei: ‘t is kermis, kom we gaan eens in de tent. Bij Fille Goossens, naast Fien Jakke, daar zetten ze met de kermis altijd een tent. En ik ging mee, met Flor, eens zien in de tent. Daar stond niks. Die tent was leeg en wij gingen daar rond. En ‘s maandags kwamen wij op school. ‘Jullie zijn naar de tent geweest’. ‘Ja, we zijn naar de tent geweest’, zeiden we. Weet je wat ik daarvoor heb moeten schrijven? Duizend regels straf. Omdat ik naar de tent geweest was. Ik en Flor van Fiene Jakke.

En Flor, die ging bij zuster Ida (dat was boven), en zuster Agnès en zuster Ida. Wij moesten op de bank staan, voor het venster en buiten zo (maakt gebaren). En ze kregen mij daar niet op. Ik ding daar niet op. Flor ging erop staan en ik ging daar niet op. En weet je wat ze met mij gedaan hebben? Naar zuster Julienne, en daar op de ? heb ik mijn duizend regels straf moeten schrijven op mijn benen. Al rechtstaand. Alle dagen, mijn straf. En toen mijn vader gestorven is, toen ik dertien jaar was, kwamen de zusters mijn vader bezoeken en zuster Julienne haalde iets uit haar spullen.

‘Hier’, zei ze, ‘ik heb nog wat bij voor u.’ Ik zeg: ‘Ah ja?’ ‘Ja’, zei ze. En ze gaf me mijn regels met strafwerk. Ik heb dat aangenomen, maar toen zuster Julienne gestorven is, ben ik niet naar de mis gegaan hoor!

Maria: Ja, in die tijd.

Gabriëlle: Ja, in die tijd. Toen arrangeerden ze ons. En als wij nu nog één mens of één man of één vrouw in die tent gezien zouden hebben, maar dat was niet zo. Er was niemand. En toch heb ik duizend regels straf moeten schrijven.

Maria: Zeg, en zeiden ze toen, precies alsof jullie naar ‘t verderf …

Gabriëlle: Ah dat was in de namiddag, Maria. Wij mochten niet naar die tent gaan. Want Nestor van Geeles, die mocht meegaan met zijn ma en pa, die moest meegaan omdat hij alleen thuis was. Maar wij mochten niet in de tent komen. En toen zat ik daar, in ‘t school. Toen moest ik binnen blijven. En weet je wat ik toen deed? In de wc’s boven en ik keek. En zij ging buiten, en ik, zwiep, ik was weg naar huis. En toen was ze eens gaan klagen bij mijn vader en moeder en toen zei de zuster: ”t is noch vis noch vlees’. En ik moest hier de kelder in. Ik moest toen de kelder in van mijn vader en moeder.

Maria: Je kreeg toen nogmaals straf?

Gabriëlle: Ah ja, de ouders deden mee met die zusters, hoor. Dat was niet meer zoals nu.